• Robert-Jan Wille

    Mooi stuk, Floris. Een bijzondere vervolgvraag die je stuk oproept (en die je zelfs tussen de regels door al formuleert) is waarom men op een gegeven moment is gestopt dikke boeken te schrijven. Immers, de informatie blijft stromen. Kan alleen het goedkoper worden van boeken die ontwikkeling verklaren? Waarschijnlijk ten dele. Je schrijft zelf al dat een belangrijke factor de opkomst van de universiteit is. Maar is dat omdat universiteiten een debatcultuur aanmoedigen ‘met stenen in de vijver’, of is dat omdat universiteiten leerinstellingen zijn waar boeken geschreven worden om uit te leren? In de negentiende eeuw kwam men (althans in de natuurwetenschap) meer tot de conclusie dat uit compendia niet te leren viel. Een leerboek moest een ‘hand-boek’ zijn. Daarnaast was een belangrijke factor de opkomst van het wetenschappelijk vaktijdschrift, niet voor monografieën maar wel voor seriële werken een fascinerende ‘nieuwe’ concurrent. Al met al: welke rol speelt de behuizing van de boekerij in het verhaal? Maakt het uit of boeken in bibliotheken van musea, universiteiten, salonzalen of buitens terechtkomen?

  • Tja, een sluitende verklaring heb ik niet, het zal, zoals gebruikelijk, wel ‘een combinatie van factoren’ zijn. De productie van grote compendia houdt niet op, het worden alleen meer specialistische compendia en ze zijn niet langer de kern van de geleerde productie. Ook ‘universele geschiedenissen’ worden in de 19e eeuw nog geschreven (Ranke, Buckley, Leo) en zelfs als tekstboek gebruikt, maar de historicus wordt toch allereerst iemand die monografieën en artikelen produceert. Overigens fungeerden tijdschriften, zoals gezegd, ook in de 18e eeuw al als concurrenten voor compendia: bekend is de anekdote van Gibbon die voor 20 pond de 20 delen verhandelingen vd Académie des Inscriptions et Belles-Lettres kocht, “nor would it have been easy, by any other expenditure of the same sum, to have procured so large and lasting a fund of rational amusement”.

    Misschien heeft het ook domweg te maken met voortschrijdend inzicht: de compendia worden gevuld door erg dicht op de bron te blijven, en die bronnen weliswaar kritisch te vergelijken maar uiteindelijk wel eraan gebonden blijven. Dat is precies waar histoire philosophique zich tegen afzet.

  • Rienk Vermij

    Ja, mooi stuk. Maar wel erg vanuit de schrijvers gedacht. Het is de vraag of die boeken werden geschreven omdat de auteur dat zinvol vond, of omdat een uitgever er brood in zag. Kennelijk waren er uitgevers die zich richtten op een markt van klanten die niet enkel vermogend, maar ook zeer ruim behuisd waren. In de negentiende eeuw gaat dan de massamarkt overheersen. Misschien dat met de opkomst van een klasse van Russische en Chinese miljonairs er nu weer een markt ontstaat voor mammoetuitgaven.
    Peter van der Krogt heeft ooit geschreven over de atlasproductie in Amsterdam in de zeventiende eeuw. Er waren op dit gebied twee uitgevers actief (Blaeu en Jansonius) die elkaar de loef probeerden af te steken met steeds grotere en prestigieuzere uitgaven. Zodoende namen hun atlassen in de loop van de eeuw steeds meer in omvang toe, tot de kolossale Atlas Maior van Blaeu. Het grappige is dat die omvang inhoudelijk vaak weinig meerwaarde opleverde. Ze werden kennelijk gemaakt en gekocht vanwege status en snobisme.

  • Snobisme is in sommige gevallen een verklaring, maar dat gaat eigenlijk alleen op voor prestigieuze uitgaven, zoals de Montfaucon of de complete Description de l’Egypte (die je ook per 5 platen kon kopen voor 5 francs). Voor de meestal in octavo uitgegeven Literaturgeschichten of bijv. de Voyages van Pinkerton gaat dat veel minder op. Opmerkelijk is juist dat Christoph Meiners eind 18e eeuw klaagt dat de antiquarische compendia zo slecht beschikbaar zijn, omdat ze niet alleen duur zijn maar ook niet herdrukt worden (het is immers eenvoudiger om een handboek of bibliografie te updaten en te heruitgeven dan een compendium vol dure platen).