Gewenste kennis over ongewenste kunde: Kleiweg de Zwaan over abortus onder de inheemse bevolking van Nederlands-Indië

Tijdens het bestuderen van vroeg twintigste-eeuws antropologisch onderzoek naar de bewoners van Nias, een klein eiland ten westen van Sumatra, stuitte ik op korte, maar zeker niet omfloerste beschrijvingen van de positie van abortus binnen inheemse samenlevingen aldaar. Geïntrigeerd door het bestaan van deze niet-westerse abortuspraktijken, maar wellicht nog meer door het bestaan van antropologisch onderzoek naar dit toch vrij beladen onderwerp, zocht ik verder. Ik vond een artikel van de Nederlandse antropoloog J.P. Kleiweg de Zwaan (1875-1971), gepubliceerd in 1928, genaamd ‘Abortus provocatus in den Indischen Archipel’. In het tweedelige artikel beschrijft Kleiweg de Zwaan op opvallend gedetailleerde en descriptieve wijze de houdingen van verschillende inheemse gemeenschappen ten aanzien van abortus en ongewenste zwangerschap. Daar de auteur informatie verkreeg uit zendingsverslagen en secundaire literatuur, laat zijn indirecte verslag prangende vragen onbeantwoord. Hoe kwamen de zendelingen en onderzoekers destijds aan hun informatie? Wie verstrekte welke informatie en aan wie? En waarom werd het eigenlijk de moeite waard geacht om zo gedetailleerd verslag te doen van inheemse redenen voor en opvattingen over abortus? Deze blog gaat op deze vragen nader in.

Johannes Pieter Kleiweg de Zwaan (1875-1971)

Portret van Kleiweg de Zwaan in Teloekdalem tijdens zijn antropologisch onderzoek op Zuid-Nias in 1910 (Collectie Tropenmuseum, nr. 10018860).

Kleiweg de Zwaan was oorspronkelijk opgeleid als arts en werkte na het afronden van zijn opleiding kort als scheepsarts. Toen hij echter op verzoek van de etnoloog Alfred Maass deelnam aan een van diens expedities in 1907, raakte hij in de ban van de fysische antropologie. Hij promoveerde kort na deze expeditie op antropologische onderzoek verricht bij de Minangkabau.[1] Naast fysisch-antropologisch onderzoek was Kleiweg de Zwaan geïnteresseerd in meer sociaal-cultureel antropologisch onderzoek, vooral met betrekking tot medische zaken. Zo schreef hij onder andere over inheemse denkbeelden rondom lichamelijke en geestelijke ziekten.[2] In 1925 hielp Kleiweg de Zwaan met het oprichten van het tijdschrift Mensch en Maatschappij, waarin hij in 1928 zijn artikel over abortus publiceerde.[3]

Kennis uit de zoveelste hand

Tijdens zijn wetenschappelijke expedities in 1907 en 1910 had Kleiweg de Zwaan contact met zowel de inwoners van Nias als de Minangkabau. Desalniettemin was hij voor informatie over abortuspraktijken bij andere samenlevingen aangewezen op secundaire literatuur, zoals artikelen en zendingsverslagen.

In het eerste deel van zijn artikel besteedt Kleiweg de Zwaan hoofdzakelijk aandacht aan inheemse redenen voor en opvattingen over abortus. Aan de hand van een bericht van de zendeling D.C. Bout beschreef hij bijvoorbeeld het veelvuldige gebruik van abortiva in Kapauer door ongehuwde vrouwen. Bout beredeneerde dat door de vrucht af te drijven, de familie de bruidsschat behield.[4] Met behulp van een bericht van zendeling D.B. Starrenberg wist Kleiweg de Zwaan te melden dat in de kustgebieden van Nieuw-Guinea abortus voornamelijk gepleegd werd door ‘de meisjes en vrouwen, welke zich met vreemdelingen afgeven’. Volgens zendeling H.W. Duyvendak was dit ook op Schouten-eiland het geval.[5] Ook verwees Kleiweg de Zwaan naar een artikel van de controleur van Binnenlands Bestuur J. Mallinckrodt, waarin Mallinckrodt redenen voor het plegen van abortus beschreef die door de Dajak als legitiem werden beschouwd. Zo gaf hij aan dat het buitengewoon dik zijn van de buik, zoals vaak het geval was bij tweelingen, voor de Dajak een reden was om tot abortus over te gaan. Het zou bij hen het geloof wakkeren dat een dier, meestal een slang, zich in het moederlichaam had gevestigd om het kind kwaad te doen.[6]
In het tweede deel van zijn artikel behandelt Kleiweg de Zwaan zowel de methoden voor als de gevolgen van het plegen van abortus. Vooral zijn aannames over de gebruikte middelen zijn opvallend. Zo geeft hij herhaaldelijk aan dat hij meent dat de keuze voor een bepaald middel gebaseerd is op sympathie, op gelijkenis tussen het middel en het beoogde effect. Door aan te nemen dat middelen gebruikt worden vanwege het idee dat uiterlijke gelijkenis een indicator is voor innerlijke/functionele gelijkenis, trekt hij de werkelijke effectiviteit van deze middelen in twijfel. Over het arbortivum ‘djanking, kepoeh (Sterculia foetida)’ schrijft hij bijvoorbeeld:

De vuil-purpere bloemen ruiken naar rottend vleesch. De bast en de jonge bladeren worden afgekookt als abortivum gebruikt. Ik vermoed dat in dit geval niet alleen de roode kleur, maar eveneens de eigenaardige geur der bloemen de indicatie geven tot deze therapie (leer der signatuur).[7]

Kleiweg bestempelde de methoden voor vruchtafdrijving als veelal gewelddadig. Naast buikmassage en het opleggen van hete stenen, beschrijft hij onder andere het bewerken van de buik met stenen en knuppels. De pogingen tot vruchtafdrijving hadden ook maatschappelijke gevolgen. Het geringe bevolkingsaantal was niet enkel het resultaat van de vruchtafdrijvingen zelf, maar ook van de daardoor veroorzaakte sterfte en onvruchtbaarheid onder inheemse vrouwen.
De details die Kleiweg de Zwaan geeft zijn opmerkelijk, te meer daar “de inlanders in den regel niet toeschietelijk [zijn over] inlichtingen omtrent zaken, die op het geslachtsleven betrekking hebben”. De antropoloog gebood om voorzichtig om te springen met het trekken van conclusies uit verkregen inlichtingen. Dat sommige inheemse samenlevingen abortuspraktijken ontkenden, was het gevolg van schaamte over het onderwerp. Hij concludeert dat abortus hoogstwaarschijnlijk overal in de Indische Archipel voorkomt.[8]  

Hoe Kleiweg de Zwaan en de door hem gerefereerde auteurs, ondanks de terughoudendheid van de bewoners, precies aan hun informatie kwamen, blijft onduidelijk. In hoeverre konden mannelijke zendelingen en artsen wetenschap krijgen van het meer reguliere of juist het medisch gevaarlijke gebruik van abortieve middelen?

Vrouwelijke vreemdelingen

Naast het uitvoeren van hun hoofdtaak—het bekeren van inheemse bewoners—werkten zendelingen vaak als dokters, onderwijzers en/of verpleegsters, wat het contact met de lokale bevolking bevorderde. Door het aanstellen van inheemse personen probeerden ze het vertrouwen van de bevolking in hun praktijken en aanwezigheid te sterken.[9] Ook vrouwen werden uitgezonden naar Indonesië. Uit correspondentie van de vereniging ‘Steun in Medische Aangelegenheden voor Inheemschen’ blijkt dat zusters ook uitgezonden werden. Zij werkten deels zelfstandig en hadden meestal kennis van de lokale talen.[10] Historici José Eijt en Suzanne Hautvast beargumenteren in Een missie in de marge dat inheemse vrouwen veelal informatie enkel deelden met vrouwelijke vreemdelingen.[11] Zij beschrijven dat verpleegsters rekening hielden met de inheemse denkbeelden die in de gezondheidszorg een rol speelden.

Een enkele zuster ging te rade bij oudere vrouwen die haar wegwijs maakten in het gebruik van geneeskrachtige kruiden en die haar tevens op de hoogte brachten van de eigen methodes die vrouwen hanteerden om bijvoorbeeld abortus op te wekken. In dergelijke gevallen waren de zusters praktisch ingesteld en bleken ze bereid hun eigen opvattingen opzij te zetten omwille van hun patiënten.[12]

Historicus Londa Schiebinger beschrijft een vergelijkbaar geval met betrekking tot het 17e eeuwse West-Indië. Hoewel er volgens haar geen sprake was van een werkelijk “women’s secret,”[13] kreeg de Duits-Nederlandse naturalist Maria Sibylla Merian (1647-1717) een toch wel zeer directe uitleg over de redenen voor en het gebruik van een abortifacient van vrouwen in West-Indië.[14] Tot slaaf gemaakte vrouwen legden haar uit dat zij de zaden van de Flos Pavonis gebruikten om te zorgen dat zij geen kinderen zouden krijgen die hun betreurenswaardige lot zouden komen te delen.

De Indianen, die niet wel gehandelt worden, als ze by de Hollanders indienst zyn, dryven daar mede haare kinders af, niet willende dat haare kinders Slaven zyn, gelyk als zy. De swarte Slavinnen van Guinea en Angola, moeten al heel heuslyk getracteert werden, of sy begeeren geen kinders in dezen haren slaafsen staat, krygen ook geen, ja sy brengen haar zelven by wylen om het leven (…) gelyk sy my uit haar eigen mond onderrecht hebben.[15]

Een motivatie voor de fascinatie

Doordat Kleiweg de Zwaan een groot aantal verschillende bronnen met beschrijvingen van uiteenlopende gevallen gebruikte, was hij in staat om een bijzonder veelomvattend, gevarieerd en gedetailleerd verslag te geven. Hij laat weinig los over de morele en ethische aspecten van abortus of zijn eigen standpunt. In lijn met ander antropologisch onderzoek uit deze tijd blijft zijn bespreking van abortus onder de inheemse bevolking erg beschrijvend van karakter.

Houten voorouderbeeld (yene) afkomstig van de Leti eilanden van voor 1941, te herkennen aan de houding van de figuur. De ‘schaduw’ of ziel van de overledene kon voor bepaalde gelegenheden in het beeld zitten en daardoor aanwezig zijn. Opvallend is dat de figuur op een Westerse stoel zit, wat aangeeft dat de overledene zich mogelijk tot het christendom bekeerd had (Collectie Tropenmuseum, nr. 1468-167a).

Toch lijkt het mogelijk om Kleiweg de Zwaans beschrijvende benadering van dit beladen onderwerp in een bredere tendens in te passen. In het begin van de twintigste eeuw ontstond namelijk het idee dat inzicht in inheemse culturen het werk van missionarissen zou vereenvoudigen. Bewust geworden van het feit dat de lokale bevolking geen ‘lege canvas’ was, poogde men om de eigen opvattingen een plaats te geven in de te beïnvloeden cultuur. Bij de Rooms-Katholieken werd deze strategie ‘inculturalisatie’ genoemd, terwijl bij Protestanten een vergelijkbaar principe bekend is onder de noemer ‘contextuele theologie’.[16] Kortom, voor het verkrijgen van macht en invloed werd het hebben van kennis van de betreffende culturen als onontbeerlijk beschouwd. Het is mogelijk dat Kleiweg de Zwaan beïnvloed was door deze denkwijzen.

Houten beeldengroep bestaande uit beelden van het Heilig Hart en van twee engelen in Hindu-Javaanse stijl. De groep is gemaakt door de Indonesische kunstenaar Iko in de jaren tussen 1924 en 1927 in opdracht van Joseph Schmutzer
(“Collectie Schmutzer”, http://missiemuseumsteyl.nl/collecties/collectie-schmutzer/. Geraadpleegd 30 juni 2018).

Het is treffend dat Kleiweg de Zwaan in zijn artikel op gedetailleerde wijze de positie van abortus binnen verschillende inheemse rechtssystemen beschrijft. Op Nias moesten getrouwde vrouwen die abortus lieten opwekken het kamponghoofd een varken schenken welke over de kamponglieden verdeeld werd. Ook moesten zij plechtig beloven niet nogmaals abortus te plegen. Wat betreft de gebruiken in Hilisimaetano, een plaats in het zuiden van Nias, zorgden tegenstrijdige inlichten voor ambiguïteit. Enerzijds werd beweerd dat abortus niet voorkwam, anderzijds dat de verschaffer van de afdrijvende middelen, meestal een priester, bestraft diende te worden met een boete.[17] Opvallend is dat Kleiweg de Zwaan opmerkt dat het bestraffen van diegene die de abortus mogelijk maakt zeer zeldzaam is in ‘onze Oost’.[18] Hij trekt daarmee een vergelijking met Nederland, waar het verbod op abortus slechts zeventien jaar eerder, in 1911, in de zedenwet was opgenomen. In Nederland was het wel degelijk de abortusverstrekker die een gevangenisstraf of geldboete riskeerde.
In lijn met het voorgaande zou een wens om de inheemse abortuspraktijken te veranderen dus kunnen gelden als motivatie voor descriptief onderzoek naar culturele aspecten van abortus, zoals de situaties waarin abortus geoorloofd was en de bestaande inheemse straffen die op het uitvoeren of ondergaan van een ongeoorloofde abortus stonden.

Conclusie

Uitgaande van het bovenstaande zou het kunnen dat vrouwen informatie over de meer reguliere methoden en voorvallen van abortus communiceerden, terwijl mannen hoofdzakelijk informatie over de sociaal-culturele positie, mogelijke bestraffing, en de gevolgen van abortus uitwisselden. Onder andere Kleiweg de Zwaans eigen sociaal-wettelijke interesse, specifiek zijn opmerking over zelden bestrafte abortusverstrekkers, en de tegenstrijdige inlichtingen over het wel of niet voorkomen van abortus, lijken hierop te duiden. Het koloniale verlangen om de invloedssfeer te vergroten zou als motivatie gediend kunnen hebben voor het willen begrijpen van de sociaal-culturele aspecten van inheemse gebruiken. De destijds bestaande theologische inbeddingen van het ‘kennis–van-cultuur-is-macht’-idee lijken dit vermoeden te concretiseren.
            Oftewel, met zijn artikel lijkt Kleiweg de Zwaan de gewenste soort kennis over een ongewenste kunde te communiceren.

Literatuur

J. Eijt en S. Hautvast, Een missie in de marge. Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart in Nederland en Indonesië 1911-2000 (Hilversum, 2002).

C. Joffe, ‘Abortion and Medicine: A Sociopolitical History’, in: Management of Unintended and Abnormal Pregnancy: Comprehensive Abortion Care (Hoboken NJ, 2009), 1-9.
doi: 10.1002/9781444313031.ch1

A.A.M. de Jong, ‘Kleiweg de Zwaan’, in: A. Wentholt (red.), In Kaart gebracht met kapmes en kompas (Heerlen, 2003).

J.P. Kleiweg de Zwaan, ‘Abortus Provocatus in den Indischen Archipel I’, Mensch en Maatschappij 4 (1928) 1, 33-50.

J.P. Kleiweg de Zwaan, ‘Abortus Provocatus in den Indischen Archipel (Slot)’, Mensch en Maatschappij 4 (1928) 2, 127-144.

J. Mallinckrodt, ‘Ethnografische Mededeelingen over de Dajaks in de Afdeeling Koealakkapoeas’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, 80 (1924) 4, 521-600.

M.S. Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium (Amsterdam, 1705)

L. Schiebinger, ‘Agnotology and Exotic Abortifacients: The Cultural Production of Ignorance in the Eighteenth-Century Atlantic World’, Proceedings of the American Philosophical Society, 149 (2005) 3, 316-343.

J. Schmutzer, J.J. ten Berge s.j. en W. Maas, Europianisme of katholicisme (Utrecht, 1927).

P.J. Veth, De leer der signatuur (Leiden, 1894).


[1] Kleiweg de Zwaans gipsafgietsels van hoofden van mannelijke bewoners van Nias zijn een goed voorbeeld van de informatieve waarde die aan lichamelijke eigenschappen werd toegedicht. Ze zijn onderdeel van de collectie van het Universiteitsmuseum Utrecht en staan momenteel tentoongesteld in het Rijksmuseum Amsterdam.

[2] Zie bijvoorbeeld zijn titels: ‘Denkbeelden der Inlanders van onzen Indischen Archipel omtrent het ontstaan van ziekten’ (1914), ‘De Verhouding tot de Aangetrouwde Familie in den Indischen Archipel’ (1918), ‘Bijgeloof in den Indischen Archipel in zake krankzinnigheid. Samenvattend overzicht’ (1931) en ‘Verbreking der verloving en ontrouw tijdens de verloving bij inlanders van den Indischen Archipel’ (1931).

[3] De Jong, 79-83.

[4] Kleiweg de Zwaan, 44.

[5] Kleiweg de Zwaan, 49

[6] Mallinckrodt, 586. De realisatie dat het voldragen en baren van een tweeling een zeker risico vormt voor de gezondheid van zowel kinderen als moeder, kan dit geloof enigszins rationaliseren.

[7] Kleiweg de Zwaan, 129. Over de ‘leer der signatuur’ (en de ‘transmigratieleer’), zie ook Veth.

[8] Kleiweg de Zwaan, 36.

[9] Het Utrechts Archief, tg.nr. 1102-1, inv.nr. 2185.

[10] Het Utrechts Archief, tg.nr. 1102-1, inv.nrs. 3581 en 3582.

[11] Eijt en Hautvast, 240-241.

[12] Eijt en Hautvast, 240.

[13] Iets dat enkel en alleen onder vrouwen bekend was.

[14] Schiebinger, 318-319 en 232.

[15] Maria Sybilla Merian, Metamorphosis insectorum Surinamensium (Amsterdam, 1705), 45. Beschrijving bij afbeelding XLV.

[16] Zie Schmutzer, ten Berge en Maas; http://missiemuseumsteyl.nl/collecties/collectie-schmutzer/ en https://www.rd.nl/kerk-religie/dr-van-den-toren-contextuele-theologie-van-groot-belang-in-zendingssituatie-1.602388.

[17] Kleiweg de Zwaan, 38-39.

[18] Kleiweg de Zwaan, 39.


Posted

in

Tags: