‘Kennis die is opgedaan in koloniale context wordt overgedragen op studenten zonder stil te staan bij de historie ervan’

Elian Schure is promovenda bij de Universiteit Utrecht, waar ze onderzoek doet naar menselijke categorisatie in biologisch onderzoek. Tijdens haar Master in History and Philosophy of Science aan de UU deed ze onderzoek naar de rol van Nederlandse wetenschappers in de voormalige koloniën. In december 2024 heeft Yavanne van Tiggelen haar hierover geïnterviewd voor de Utrechtse Bètafaculteit. Dat interview is bewerkt voor Shells and Pebbles.

Figuur 1: het Victor J. Koningsbergergebouw op Utrecht Science Park. Koningsberger is geboren op West-Java, waar zijn vader als bioloog werkzaam was. (Wikimedia: Choinowski)


Je deed onderzoek naar de rol van Nederlandse wetenschappers in de voormalige kolonies, en hoe koloniale ideeën nog steeds bestaan in de huidige maatschappij. Hoe ben je betrokken geraakt bij dit onderwerp?

Tijdens mijn master History and Philosophy of Science werd ik gevraagd of ik onderzoek wilde doen naar de koloniale geschiedenis van de Faculteit Bètawetenschappen, samen met Anna Bruins, David Baneke, Friso Hoeneveld, en Robert-Jan Wille. We onderzochten de relatie die de faculteit had met Nederlands-Indië (Indonesië) en Suriname in de periode 1815 – 1975. De keuze om vooral op Suriname en Indonesië te richten had vooral te maken met de hoeveelheid bronnen die we konden vinden, want helaas moesten we keuzes maken in onze onderzoeksrichting. Anna Bruins, mijn collega, heeft de geschiedenis van Nederlands-Indië uitgepluisd en ik richtte me vooral op Suriname. Mijn scriptie schreef ik vervolgens ook over de historische acties van Nederlandse wetenschappelijke organisaties in Suriname. Ik was vooral geïnteresseerd in Suriname aangezien we niet veel bronnen konden vinden over de acties en het onderzoek van Nederlandse wetenschappers daar. In mijn scriptie hoopte ik meer te weten te komen over de connecties tussen Nederlandse wetenschappers en Suriname.

Wat hebben jullie ontdekt over de relatie tussen de faculteit en de koloniën?

Uit het onderzoek bleek een duidelijke systematiek in het contact, vooral als het gaat over botanie en scheikunde. In beide gevallen was de uitwisseling heel eenzijdig. Nederlandse botanisten gingen daar naartoe, verzamelden informatie en plantmateriaal en namen dat vervolgens mee naar huis. Dat zorgde ervoor dat de overgebleven bronnen beperkt zijn gebleven. Er is weinig vastgelegd over het contact met de lokale mensen. Dat werd niet relevant gevonden, wat natuurlijk juist veel zegt over de koloniale machtsrelaties tussen Nederlanders en de lokale bevolking. Helaas, want we hadden daar graag meer informatie over gehad.


In de jaren ’20 en ’30 werd een kwart van al het onderzoek in het vakgebied biologie gedaan door wetenschappers in Nederlands-Indië.1 Ook veel farmaceutisch onderzoek werd daar gedaan, met name onderzoek naar medicijnen tegen tropische ziektes, zoals malaria. Veel Nederlanders die naar Nederlands-Indië gingen hadden last van lokale infectieziektes, ook wetenschappers. Op het gebied van malariabestrijding speelde een aantal wetenschappers van de Bètafaculteit een grote rol. Rond 1850 kwam er meer wetenschappelijke aandacht vanuit Utrecht voor de Kinaboom, een soort die oorspronkelijk uit de Andes komt maar door de Europeanen werd geïntroduceerd in Nederlands-Indië. De bast van deze boom bevat kinine, wat gebruikt kan worden om malaria tegen te gaan. Vanwege de grote noodzaak voor medicatie tegen malaria besloot de Nederlandse overheid te investeren in het opzetten van plantages in Nederlands-Indië, om deze bomen op industrieel niveau te laten groeien. Twee hoogleraren van de Bètafaculteit waren hierbij betrokken. De botanist Friedrich Miquel (1811-1871) en de chemicus Gerrit Jan Mulder (1802-1880) spelen in de tweede helft van de 19de eeuw een belangrijke adviserende rol in de productie van kinine.2 Miquel en Mulder adviseerde de Nederlandse koloniale overheid over Kinabomen en welke soorten een hoog percentage kinine produceren. Kininepreparaten die voor onderzoek door Miquel en Mulder naar Utrecht gestuurd worden nog steeds bewaard in de collecties van de universiteit.

Was de situatie in Suriname vergelijkbaar?

Suriname wordt vaak vergeten als het gaat om koloniaal wetenschappelijk onderzoek. Er was daar een plantage-economie, met de exploitatie van enkele winstgewassen. Verder was er niet zoveel wetenschappelijke interesse voor het land vanuit Utrecht in de periode die we bestudeerd hebben. Het weinige onderzoek in Suriname werd wel gestimuleerd door wetenschappers verbonden aan de Bètafaculteit. De botanist Frits Went (1863-1935) is hier een goed voorbeeld van. In de jaren 1920-1930 heeft hij actief gelobbyd voor een landbouwproefstation bij Paramaribo. Het proefstation heeft weinig wetenschappelijk onderzoek opgeleverd en kwam nooit helemaal van de grond, maar aan de activiteiten van Went heeft dit zeker niet gelegen.
Na de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië trekt er een hele stroom Nederlandse onderzoekers naar Suriname. Voor Nederlandse wetenschappers was het van groot belang dat er een plek was voor tropisch onderzoek. De omstandigheden bepaalden in grote mate waar ze terecht kwamen. De koloniale structuur, die in Suriname nog intact was, maakte dat het gemakkelijker was om daar onderzoek te doen dan in het nieuw onafhankelijke Indonesië of ergens anders.

Wat heeft je het meest verrast?

Toch wel het systematische aan de koloniale verhoudingen. Hoe makkelijk en normaal het was om even een paar jaar onderzoek te doen in een kolonie. Voor botanisten hoorde dat een beetje bij hun opleiding, er waren ook fondsen voor studenten om reis en verblijf te bekostigen. De eerdergenoemde Frits Went had bijvoorbeeld een enorm netwerk aan studenten en onderzoekers die overal in Nederlands-Indië terechtkwamen. Hij moedigde onderzoek in zowel Nederlands-Indië als Suriname van harte aan, en zag dit zelfs als een plicht die Nederland had naar de koloniën. Ontzettend veel van de huidige kennis over tropische planten en medicijnen komt uit de koloniën, zoals we eerder hebben gezien in het voorbeeld van malaria. In plantbiologie en farmacie zijn overal sporen te vinden van de kennis die daar is opgedaan. Die kennis wordt overgedragen aan studenten zonder stil te staan bij de historie ervan. Dat zou echt anders moeten.

Yavanne van Tiggelen werkt bij de communicatieafdeling van de Faculteit Bètawetenschappen aan Universiteit Utrecht. Het interview met Elian Schure is onderdeel van een reeks interviews met medewerkers over het koloniale verleden van de faculteit.


  1. Lees hier meer over in Willem Jan van der Schoor, “Zuivere En Toegepaste Wetenschap in de Tropen: Biologisch Onderzoek Aan Particuliere Proefstations in Nederlands-Indië 1870-1940,” Dissertatie, 2012. ↩︎
  2. Lees hier meer over in Arjo Roersch van der Hoogte, Colonial Agro-Industrialism. Science, Industry and the State in the Dutch Golden Alkaloid Age, 1850-1950, Utrecht: Universiteit Utrecht, 2015 en het tweede hoofdstuk van The Floracrats: Andrew Goss, The Floracrats: State-Sponsored Science and the Failure of the Enlightenment in Indonesia. Madison, Wis.: University of Wisconsin Press, 2011, https://search.ebscohost.com/login.aspx?direct=true&scope=site&db=nlebk&db=nlabk&AN=333020. ↩︎

Verder lezen

Goss, Andrew. The Floracrats: State-Sponsored Science and the Failure of the Enlightenment in Indonesia. Madison, Wis.: University of Wisconsin Press, 2011. https://search.ebscohost.com/login.aspx?direct=true&scope=site&db=nlebk&db=nlabk&AN=333020.

Lambers, Paul. “Anatomische Preparaten van Kinabasten in de Simpliciacollectie van Het Universiteitsmuseum Utrecht.” Studium 12, no. 1-3 (2019): 123–30. https://doi.org/10.18352/studium.10191.

Lanjouw, Joseph. Lanjouw Jubileum Serie: Uitgegeven Ter Gelegenheid van Het Veertigjarig Ambtsjubileum van J. Janjouw, 1926-1966. Utrecht: Botanisch Museum en Herbarium, 1967.

Pulle, A.A. Afscheidscollege Door Prof. Dr. A. A. Pulle Gegeven Op Zaterdag 26 Juni 1948 in de Collegezaal van Het Botanisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Te Utrecht: Met Verslag van de Hierna Gevolgde Huldiging. Utrecht: [Rijksuniversiteit Utrecht], 1948.

Roersch van der Hoogte, Arjo. Colonial Agro-Industrialism. Science, Industry and the State in the Dutch Golden Alkaloid Age, 1850-1950. Utrecht: Universiteit Utrecht, 2015.

Schoor, Willem Jan van der. “Zuivere En Toegepaste Wetenschap in de Tropen: Biologisch Onderzoek Aan Particuliere Proefstations in Nederlands-Indië 1870-1940.” Dissertatie, 2012.

Wille, Robert-Jan. Mannen van de Microscoop: De Laboratoriumbiologie Op Veldtocht in Nederland En Indië, 1840-1910. Nijmegen: Vantilt, 2019.


Posted

in

Tags: