Consent: Een geschiedenis van dwang en vrije wil en alles daartussenin (Lannoo, 2025), samengesteld door Chanelle Delameillieure en Jolien Gijbels
Het Engelse woord consent is inmiddels ook in de Nederlandse taal een ingeburgerd begrip. Door de wereldwijde #Me Too-beweging schoof het naar de voorgrond. Dat betekent echter niet dat het daarvoor niet bestond. Dat tonen historici uit Nederland en België in Consent: een geschiedenis van dwang en vrije wil en alles daartussenin. Aan de hand van voorbeelden uit het verleden pleiten zij voor een begrip van consent dat verder gaat dan‘ja’ of ‘nee’. Met dit thema grijpen de verhalen je bij de strot en blijf je achter met meer vragen dan antwoorden.
In Consent ontleden elfhistoriciuit verschillende disciplines hoe toestemming in het verleden werd begrepen. De onderwerpen die zij aankaarten variëren van slavernij in de oudheid, tot hedendaagse debatten over menselijke resten in museale collecties. De focus ligt merendeel op België en Nederland in de moderne en hedendaagse tijd, met oog voor de koloniale geschiedenis van beide landen. Medische geschiedenis is door de specialisaties van de historici sterk vertegenwoordigd in dit boek. In de hoofdstukken word je als lezer op scherp gezet door de emotionele ervaringen die aan bod komen. De verhalen van de kinderen op dovenscholen die mishandeling moesten doorstaan, zwangere vrouwen die tot levensgevaarlijke ingrepen gedwongen werden, en ervaringen van ouders die kinderen ter adoptie afstonden, blijven bij. Deze recensie bespreekt het overkoepelende thema van Consent en enkele van de hoofdstukken in meer detail.
De maatschappelijke relevantie van de publicatie is duidelijk. De samenstellers van de bundel, mediëviste Chanelle Delameillieure en medisch historica Jolien Gijbels situeren het onderwerp in de in 2017 begonnen #MeToo-beweging. Hun voorbeelden kunnen aangevuld worden met ontwikkelingen zoals de terugdraaiing van Roe v. Wade in 2022. Hierdoor werd er getornd aan reproductieve rechten in de Verenigde Staten. In Nederland zijn de recente anti-femicide marsen en de campagne Wij eisen de nacht op voorbeelden van de maatschappelijke roep om een veilige toekomst voor vrouwen. De auteurs van Consent willen bijdragen aan een ‘diepgaandere culturele verschuiving.’ Ze leggen telkens verbindingen tussen het heden en verleden, om op die manier antwoorden te vinden op hedendaagse problematiek van grensoverschrijdend gedrag.
Dit doet Chanelle Delameillieure bijvoorbeeld in haar hoofdstuk over schakingen in de middeleeuwen. Bij een schaking werd een vrouw ontvoerd door een man en geforceerd om met hem te trouwen. Zij toont aan de hand van middeleeuwse wetgeving aan dat vrouwen meer zeggeschap hadden over met wie ze trouwden, dan dit beeld doet blijken. In de laatmiddeleeuwse Lage Landen lag de keuze voor huwelijkspartner volgens het kerkelijk recht namelijk bij de twee personen die in het huwelijksbootje stapten. Delameillieure vergelijkt dit met de het hedendaagse begrip van enthousiaste toestemming dat nu vaker wordt toegepast in rechtszaken over seksueel geweld. Dit houdt in dat er pas sprake is van consent wanneer iemand actief instemt. Zij beargumenteert dat het systeem van enthousiast uitgesproken consent in het voordeel lijkt van het slachtoffer, maar niet waterdicht is. Met middeleeuwse gerechtelijke bronnen geeft ze voorbeelden van vrouwen die op papier ‘ja’ zeiden tegen een huwelijk, maar waar dit niet per definitie een reflectie was van haar eigen wensen. Delameillieure vult de stiltes in de bronnen op met haar eigen interpretatie van de situatie waarin vrouwen zich bevonden. Door te focussen op agency, zeggenschap, van vrouwen in het verleden adviseert Delameilleure over huidige wettelijke praktijken.

Echter kunnen we ons wel afvragen in hoeverre we stiltes in de bronnen kunnen opvullen en gebruiken om lessen uit te trekken voor het heden. Hoe kunnen we bijvoorbeeld weten wat personen zelf wilden, wanneer machtsverhoudingen van gender, klasse en ras hun keuzevrijheid bepaalden? Het onderzoeken van toestemming brengt uitdagingen mee die altijd opkomen wanneer we ons verdiepen in geschiedenissen van mensen in gemarginaliseerde groepen. De redacteuren van de bundel behandelen de bekende kritiek van Indiase wetenschapper Gayatri Chakravorty Spivak, die meent dat historische bronnen nooit een inzicht kunnen geven in de gedachten van de onderdrukten in samenlevingen in koloniale samenlevingen. Ze zijn namelijk geschreven vanuit het perspectief van de machthebbers. De historici van Consent maken inderdaad veelal gebruik van bronnen van autoriteiten zoals overheden, rechtbanken en medici. Met de relevante theorieën van agency en intersectionaliteit proberen de onderzoekers om zowel oog te houden voor de beweegruimte en persoonlijke keuzes, als de invloed van ongelijke machtsverhoudingen – maar bij het lezen blijft de machteloosheid van onderdrukte personen vooral bij.
In haar hoofdstuk over dovenscholen in Nederland neemt historisch pedagoge Corrie Tijsseling de lezer mee in de ervaringen en mishandeling van leerlingen op deze scholen. Doofstomme mensen werden in de 19e en 20e eeuw gezien als handelingsonbekwaam, omdat zij hun wil niet zelf konden uitspreken. Hun agency was beperkt, zoals Tijsseling pijnlijk duidelijk maakt. In haar hoofdstuk komen de psychiaters en methoden naar voren die onderdrukkend werkten voor doven kinderen. Echter zijn er wel glimpen van de eigen wil van kinderen in dovenscholen te vinden, bijvoorbeeld als Tijsseling benoemt dat kinderen onderling gebarentaal gebruikten, hoewel dit verboden was op de scholen. Ook noemt zij modelleerling Bea Visser (1936-2017) die als paradepaardje van een dovenschool werd ingezet. Zij was echter meer dan dat.

Visser zette zich later in voor de erkenning van gebarentaal en was oprichter van de organisatie Roze Gebaar voor dove en slechthorende lhbtiq+’er. Dit laatste neemt Tijsseling niet mee in haar hoofdstuk, terwijl het juist inzicht geeft in de ervaringen en agency van leerlingen van dovenscholen. Door de aandacht te richten op personen als Visser, zien we dat mensen wier mogelijkheden om toestemming te geven beperkt waren, een actieve rol speelden bij de verandering van het begrip consent. Deze verschuiving in perspectief – waarbij de nadruk ligt op het leven van de dove persoon in plaats van op de methoden van de arts of de leraar – maakt een flexibeler begrip van consent mogelijk, dat niet alleen wordt veranderd door machthebbers, maar ook door de mensen die in onderdrukkende omstandigheden leefden.
Classicus Christian Laes, één van de elf auteurs, waarschuwt voor het risico om pamfletschrijver of moralist te worden door telkens de agency van onderdrukten te beklemtonen. Voor hem moeten historici vooral proberen denkkaders te begrijpen, in plaats van enkel aan te tonen dat mensen vrije wil hadden. Toch zie ik het boek als een pamflet. De auteurs roepen met hun aangrijpende voorbeelden op om narratieven over toestemming kritisch te herzien. Machtspatronen in het verleden werken immers door in het heden. Historicus Gerlov van Engelenhoven laat dit zien in zijn hoofdstuk over ervaringen van de Molukse gemeenschap, die hun komst naar Nederland ervoeren als een dwangbevel in plaats van een vrije keuze – hoewel de Nederlandse overheid dit niet erkend. Ook het hoofdstuk van historici Laurens de Rooy en Lisa Vanderheyden over menselijke resten in musea, die vaak onder omstandigheden van armoede en koloniale overheersing onderdeel werden van anatomische collecties, roept op tot vragen en discussie. Hoe gaan we om met de materiële en immateriële sporen van machtsongelijkheid uit het verleden?
De verschijdenheid aan voorbeelden in Consent tonen inderdaad dat toestemming anders werd begrepen in verschillende contexten, en dat niet iedereen evenveel vrijheid had om eigen keuzes te maken en deze kenbaar te maken. De auteurs beoogden niet op een compleet overzichtswerk te maken, maar een voorzet te geven om te reflecteren. Daarom is er nog veel ruimte om meer definitie te geven aan de geschiedenis van consent en de grijze gebieden verder in te kleuren.
Marit de Wit is afgestudeerd van de onderzoeksmaster Modern and Contemporary History aan de Universiteit Utrecht. Ze belicht in haar onderzoek ervaringen van vrouwen en is momenteel fellow bij het Allard Pierson, waar zij onderzoek doet naar wetenschappelijke kennisverspreiding in huishoudscholen. Ze werkte eerder mee aan onderzoeksprojecten op het gebied van medische geschiedenis, kolonialisme en emoties. marit.de.wit.17@gmail.com
Edited by Marieke Gelderblom and Bianca Angelien Aban Claveria

