Een interview met afzwaaiend hoogleraar Frans van Lunteren
Op een rustige maandagmiddag ontmoet ik Frans van Lunteren. We spreken elkaar op de VU, waar hij juist het laatste lege vergaderhokje tussen de flexplekken (‘geen goede ontwikkeling’) weet te bemachtigen. Ons gesprek zal regelmatig raken aan het thema van goede en minder goede ontwikkelingen, binnen het vakgebied en diens plaats in de academie en maatschappij. En natuurlijk hebben we het ook over de ontwikkelingen in zijn eigen carrière, want het afzwaaien van de hoogleraar Geschiedenis van de Natuurwetenschappen aan de VU en Universiteit Leiden is een goede reden om terug te blikken.
Binnen Shells & Pebbles maakt dit interview deel uit van de serie interviews waarin we toonaangevende stemmen uit de wetenschapsgeschiedenis aan het woord laten. We vragen onze gasten naar hun onderzoeksinteresses, de veranderingen die zij signaleren binnen het vakgebied, en hoe wij als wetenschapshistorici kunnen bijdragen aan de problemen van deze tijd. Daarbovenop nodigt Frans’ emeritaat natuurlijk uit tot terugblikken op zijn carrière. Die uitgebreide terugblik is maar goed ook, want stiekem was dat de dubbele agenda van dit interview. De samenstellers van de afscheidsbundel voor Frans van Lunteren hebben gevraagd of we hem onder de vermomming van Shells & Pebbles zélf zouden kunnen laten bijdragen aan zijn afscheidsbundel.1 Zodoende kunt u dit interview zien als Frans’ eigen Carte Blanche.
Frans van Lunteren (FvL): ‘Bij mij was de wetenschapsgeschiedenis bepaald geen roeping.’
Marieke Gelderblom (MG): ‘Oh nee?’
FvL: ‘Ja, het bleek achteraf een gelukkige bestemming, want ik vind het ongelooflijk leuk. Maar ik kwam er vooral terecht door toeval. Elke keer als ik in een doodlopend carrièrepad zat, maakte ik een bochtje naar een zijpad. Op de middelbare school had ik niet veel met geschiedenis. De leraar die ik had was een nare, oude, enigszins reactionaire man. Dus geschiedenis viel onmiddellijk af als examenvak, ik had juist een extreem bètapakket. Dat was ook handig, want ik was vreselijk lui en voor wiskunde hoefde ik niets te doen. Toch wilde ik dat niet gaan studeren. Ik dacht namelijk dat wiskunde mijn zwaktes zou uitvergroten. Veel wiskundigen hebben iets escapistisch en ik was sowieso al een dromer: ik kon op mijn fiets stappen en een half uur later ergens aankomen zonder enige herinnering te hebben aan wat er onderweg gebeurd was. Dus het werd natuurkunde, om zo toch nog een beetje verbonden te blijven met de realiteit.
‘De studie natuurkunde vond ik niet echt leuk. Het vervelende was dat je vooral bezig was met het oplossen van differentiaalvergelijkingen, in plaats van dat iemand uitlegde hoe de wereld in elkaar zit aan de hand van allerlei natuurkundige theorieën. Nee, meestal was het totaal bloedeloos. Dan stond er een man met zijn rug naar de zaal wiskundige vergelijkingen door te rekenen. Het was oninspirerend, omdat het je geen enkel inzicht gaf in de onderliggende werkelijkheid en dat vond ik frustrerend. Ik had de nare neiging om tijdens colleges wel eens te vragen wat zoiets nou betekende, zo’n ensemble, veld of golffunctie. Dan werden die docenten heel chagrijnig.
‘Op een gegeven moment gaf een vriend me een filosofisch boekje van Bertrand Russell. Een heel elementair boekje, maar het was voor het eerst dat ik ergens werkelijk warm voor liep tijdens mijn studie. Ik kwam erachter dat je je in Utrecht kon specialiseren in de grondslagen van de natuurkunde. Daar werden eindelijk vragen gesteld over de diepere betekenis van natuurkundige theorieën. Ook de daarbij onderwezen wetenschapsfilosofie bleek ik fascinerend te vinden. Dan las ik een stukje van Carnap over hoe de wetenschap in elkaar zit, en dan bleek dat totaal anders dan ik ooit gedacht had. ‘Ja, zo zit het,’ dacht ik. Ik vond het allemaal heel indrukwekkend. En de week daarna las je Popper en die maakte volledig gehakt van Carnap. Opnieuw dacht ik: ‘Nee, die man heeft gelijk, zó zit het!’ En een week later kwam Kuhn en die maakte weer gehakt van Popper, en daarna Feyerabend, het ging maar door. Dat vond ik voor het eerst in mijn leven een werkelijk intellectuele ervaring.
‘Maar filosofie bleek een soort slagroomtaart. In het begin was het ontzettend lekker, maar als je dat hele ding opgegeten hebt, dan voel je je toch een beetje misselijk. Het vervelende is dat je nooit een concreet antwoord krijgt op je vragen. Die pogingen om te bepalen wat wetenschap in essentie is zijn nooit gelukt en gaan ook nooit lukken. Daar is wetenschap een te rommelig en complex verschijnsel voor.
‘Toen ik eenmaal klaar was met mijn studie had ik geen idee wat ik vervolgens zou moeten doen. Het middelbaar onderwijs leek me niks en het bedrijfsleven stond ver van me af, dus mijn strategie was vooral angstgedreven: gewoon zo lang mogelijk op school blijven zitten. Een studiegenoot attendeerde mij op een promotieplaats bij Geschiedenis van de Natuurwetenschappen, een klein instituutje aan Janskerkhof waar ik ooit een blauwe maandag een bijvak gevolgd had. Daar ben ik gaan solliciteren met de volledige zekerheid dat ik kansloos was, want mijn begeleider bij Grondslagen zei dat de baan al was vergeven. Dat was mijn redding, want ik ging er volstrekt ontspannen heen en heb tijdens het gesprek al mijn grootse visies op de wetenschapsgeschiedenis uiteengezet. Ik had het idee dat alle belangrijke ontwikkelingen binnen de natuurkunde terug te voeren waren op grote filosofische ideeën. Dat idee bleek achteraf volstrekt naïef en volkomen onnozel. Hoe dan ook: ik werd die avond gebeld en tot mijn stomme verbazing kreeg ik de baan. Dat begrijp ik nog steeds niet.
‘Dat toeval in mijn carrière heeft zich een aantal keer herhaald. Ook toen mijn proefschrift klaar was, wat trouwens heel lang geduurd heeft. Er kwam toen een vacature vrij voor een UD-positie in Utrecht. Dat gebeurde vrijwel nooit, het was een onwaarschijnlijk toeval, deels als gevolg van de fusie van de twee wetenschapshistorische instituten daar. Ik kreeg de baan op een presenteerblaadje aangeboden.
‘De eerste keer dat ik doelbewust ergens solliciteerde was dus pas voor de leerstoel op de VU, in 2002. Niet dat ik hoogleraar kon of wilde worden, want dat leek me uitgesloten. Ik solliciteerde om mijn marktwaarde te testen: eens kijken hoeveel rondes ik zou overleven. Er waren meerdere kandidaten die verder waren dan ik en veel meer gepubliceerd hadden. Tot mijn stomme verbazing kreeg ik de baan. Het was een leerstoel voor twee dagen in de week, dus ik bleef ook nog drie dagen in het inmiddels vertrouwde Utrecht. Door die benoeming was ik in eerste instantie behoorlijk uit het veld geslagen, want het was niet de bedoeling om echt hoogleraar te worden. Ik had het naar mijn zin in Utrecht en voelde me schuldig ten aanzien van collega’s die veel meer aanspraak konden maken op deze baan.
‘Zodoende betrof de eerste keer dat ik daadwerkelijk met overtuiging naar een baan streefde, de hoogleraarspositie die enkele jaren later vrijkwam in Leiden. Ik zat toen al meer dan twintig jaar in Utrecht en het was tijd om weg te gaan. De natuur streeft nergens naar en ik in de regel ook niet. Ik ben altijd bereid om op een langsrijdende trein te springen, maar ik zal meestal niet zelf mijn reisschema uitdenken. Dat zie ik wel als een problematisch trekje’
MG: ‘Je hebt je tijdens je carrière met veel onderwerpen beziggehouden. Is er een overkoepelend thema in je onderwijs en onderzoek?’
FvL: ‘Ik ben vooral geboeid door de menselijke en onvoorspelbare kant van de geschiedenis, de ruis of de toevalligheden. Misschien juist wel vanwege het contrast met de onverbiddelijke natuurwetten. Het menselijk tekort is alomtegenwoordig. Ook bij de grootste wetenschappers tref je die rommeligheid aan. Dat zijn gewoon mensen die gebruikmaken van de gebrekkige hulpmiddelen die ze hebben en daar iets nieuws mee proberen te smeden. De geschiedenis is een opstapeling van toevallige afslagen die de westerse wetenschap in de voorafgaande eeuwen genomen heeft.
‘Doordat ik colleges geef in verschillende opleidingen zie ik bovendien dat er enorme verschillen zijn tussen biologen, natuurkundigen, geologen, wiskundigen en chemici. Ze hebben allemaal een eigen cultuur met eigen vanzelfsprekendheden en eigen rituelen. Ja, eigen waarden en normen. De laatste tien, twintig jaar ben ik steeds meer geïnteresseerd geraakt in die disciplinaire eigenaardigheden.
‘In het bijzonder ben ik dol op antropologische studies over natuurwetenschappers, zelfs over dingen als kledingnormen. Als je in de jaren tachtig als deeltjesfysicus geen spijkerbroek en T-shirt droeg, dan had je echt iets uit te leggen. Maar er is natuurlijk nooit iemand die je dat vertelt. Je gaat langzaam op in zo’n wereld. Je past je aan aan de heersende normen. O ja, en je moest een man zijn, want als vrouw had je er toen niks te zoeken. Als je als vrouw daar per ongeluk verzeild raakte, dan was je binnen de kortste keren weg.
‘De disciplinaire cultuur van de natuurkundigen geldt misschien wel als de allerraarste. Die ontlenen zo’n groot deel van hun eigen identiteit aan hun vakgebied. Als natuurkundige ben je in de eerste plaats natuurkundige. Dan komt een hele tijd niks. En dan ben je misschien vervolgens ook nog Brabander of Nederlander. Een natuurkundige zijn, is iets heel existentieels. Ik heb in één van mijn laatste artikelen beargumenteerd dat natuurkundigen op een religieuze manier met hun eigen vakgebied omgaan. De overeenkomsten tussen de natuurkundige gemeenschap en een religieuze gemeenschap zijn enorm.
‘Het idee van de natuurkunde als een religie had ik al wat langer. Pas toen ik toevallig iets las over de theorie van Émile Durkheim over religies, bleek dat allerlei eigenaardigheden van natuurkundigen daar naadloos inpasten. Ik was eigenlijk stomverbaasd dat het zo goed werkte. Ook dat is puur toevallig, dat vind ik leuk.
‘Vaak begint mijn onderzoek met een tamelijk absurd idee dat ik zelf ook niet helemaal serieus kan nemen. Als een soort advocaat van de duivel wil ik dan kijken hoe ver ik dat kan voeren. Kijken hoe hard ik het kan maken door allerlei ondersteunende argumenten te verzinnen. Maar het gekke is: dat gaat zijn eigen leven leiden, en op het einde ben ik soms overtuigd dat het inderdaad zo zit. Door volledig out of the box te denken op grond van een volstrekt idiote aanname, blijkt vaak tot mijn eigen stomme verbazing dat allerlei dingen op hun plek vallen.’
MG: ‘Je stuurde me het artikel over de natuurkunde als religie al toe in ons eerdere contact over dit interview. En wat je toen ook meestuurde, was een fragment van Van Kooten en De Bie. In het fragment treden ze op als rockband The Rules. Ze spelen het nummer “Ouwe Lullen Moeten Weg” (link). Is dat het gevoel dat je hebt bij je vertrek?’
FvL: ‘Een beetje wel ja. Een bekende uitspraak van Max Planck is dat nieuwe theorieën geen veld winnen doordat de tegenstanders van die nieuwe opvattingen overtuigd raken, maar de tegenstanders op een gegeven moment gewoon doodgaan. De chemische revolutie is daar een mooi voorbeeld van. Allerlei historici hebben laten zien dat de oude phlogistontheorie in veel opzichten net zo goed functioneerde als de zuurstoftheorie van Lavoisier. Zowel de voor- als tegenstanders benadrukten de problemen die ze wél konden oplossen, de rest negeerden ze. Uiteindelijk wonnen de voorstanders niet met argumenten, maar omdat de tegenstanders uitstierven.
‘Eén van de punten die Kuhn benadrukte is dat je niet alleen iets wint bij zo’n revolutie, maar dat er ook allerlei dingen verloren gaan. Oorspronkelijk konden chemici tienduizenden reacties herkennen met hun zintuigen: de geur, kleur, smaak, temperatuur. Een beetje zoals echt goede wijnkenners vandaag de dag ook aan één slok kunnen proeven welke druivensoort het is en waar de druivenrank stond, uit tienduizenden mogelijkheden. Ze weten hoe ze hun zintuigen moeten gebruiken, ook zonder meetapparatuur. Die vaardigheid is in de scheikunde verloren gegaan. In plaats daarvan kwamen precisieweegschalen, thermometers, warmtemeters en allerlei andere apparaten.
‘Toch is het geen probleem dat er dingen verdwijnen met zo’n revolutie, omdat de nieuwe generaties die dingen toch niet belangrijk vinden. Juist de vaardigheden die ze gewonnen hebben vinden ze belangrijk, niet wat er verloren is gegaan. Daar herken ik mezelf enorm in. En daarom is het goed als je er op een gegeven moment mee ophoudt.
‘Een voorbeeld van zo’n revolutie in ons vakgebied is de beweging naar Digital Humanities. Met grote databestanden en slimme software door middel van woordfrequenties en de afstand tussen woorden iets verstandigs zeggen over het verleden; daar voel ik een zekere weerzin tegen. Alles wat ik daar tot nu toe van gezien heb, vind ik verschrikkelijk oppervlakkig. Waar wij als historici goed in zijn, is om dingen betekenis te geven. Een woord in andere contexten en andere tijden heeft totaal andere betekenissen. Dat snapt die stomme software helemaal niet. Misschien zal dat later nog wel komen hoor, maar nu in ieder geval nog niet. Ik merk dat ik al het Digital Humanities-onderzoek oninteressant vind. Maar ja, die weerstand tegen nieuwe ontwikkelingen, dat voelden die oude chemici ook. Die vonden zo’n thermometer destijds ook ongelooflijk oppervlakkig en stompzinnig. Ik herken dus in mezelf wat mijn studieobjecten ook gevoeld moeten hebben. En dan weet je: jouw tijd zit erop. Het zegt meer over mij dan over de toekomst van het vakgebied.
‘De ontwikkeling is breder dan alleen Digital Humanities. Ik ben natuurlijk een bèta die alfa geworden is, en één van mijn grootste ergernissen is dat de alfa-wetenschappen steeds meer een bèta-karakter krijgen. Zoiets is in de afgelopen eeuwen al vaker gebeurd; de sociale wetenschappen zijn in mijn ogen bijna kapotgemaakt. Vroeger had je grote intellectuelen zoals Max Weber, Émile Durkheim, Norbert Elias, en in Nederland Joop Goudsblom en Abram de Swaan. Zij schreven prachtige boeken. Boeken die ons op een hele nieuwe manier naar de werkelijkheid hebben leren kijken. En wat doen sociologen nu? Gewoon interviewlijstjes afnemen. Dat Diederik Stapel zo kon frauderen vond ik niet het ergste aan die zaak, erger was nog dat hij wereldberoemd kon worden met in mijn ogen ongelooflijk stompzinnig onderzoek. Zo worden de sociale wetenschappen platgeslagen door bèta-achtig onderzoek met oninteressante vragen. En ook door krakkemikkige statistiek, waarmee je dan probeert je p-waarde (zoiets als de kans op een false positive) onder de 0.05 te drukken. Dat hetzelfde nu dreigt te gebeuren met de geesteswetenschappen vind ik betreurenswaardig. Tegelijkertijd kan ik dus goed reflecteren op dit soort disciplinaire ontwikkelingen. Ik besef ook: we zijn nu best tevreden met die scheikunde van Lavoisier.
MG: ‘Zie je ook nog positieve ontwikkelingen in het vakgebied?’
FvL: ‘Jazeker! Juist een hele positieve ontwikkeling is het enorme engagement onder jonge wetenschapshistorici. Ze willen onderzoek doen vanuit hedendaagse maatschappelijke problemen, met de hoop dat hun onderzoek helpt om oplossingen te vinden. Ik begeleid nu een promovenda die kijkt naar de landbouwgeschiedenis in Nederland. Het blijkt dat er voor veel van de huidige bezwaren destijds al gewaarschuwd werd, maar dat die waarschuwingen om allerlei redenen genegeerd zijn. Of kijk naar het onderzoek van mensen als Floor Haalboom, dat vind ik fantastisch. Zulke geëngageerde thema’s zijn in mijn onderzoek nergens terug te vinden. Je zult hard moeten zoeken naar een wereldverbeterend historisch artikel van mijn hand.
‘Mijn engagement zit meer in het onderwijs dat ik geef. Ik heb de illusie dat ik meestal ook iets bijdraag aan de ontwikkeling van jonge mensen, dat ze dankzij dit soort onderwijs hun geestelijke horizon iets verbreden. Ik heb altijd wel een goede klik met studenten, misschien omdat ik zelf die leeftijd nooit helemaal ontgroeid ben. Je volwassenwording remt als je op de universiteit blijft. Normale mensen zijn volwassen als ze 22 zijn, die worden op een dag wakker en realiseren zich dat hun jeugd voorbij is. Maar academici ervaren dat existentiële moment pas rond hun 30e. Tja, voetballers hebben gewoon op hun 23e drie kinderen, een huis en hypotheek. Maar academici blijven veelal jong. Het heeft ook een voordeel om kinderlijke nieuwsgierigheid te behouden, omdat het een belangrijke epistemische deugd is, om het zo maar te zeggen.
‘Een artikel schrijven zie ik als een volstrekt egocentrische exercitie, maar met mijn onderwijs hoop ik iets bij te dragen. Ik word ook vanzelf enthousiast als ik voor een groep studenten sta. Als docent probeer ik jonge natuurwetenschappers de onuitgesproken vanzelfsprekendheden van hun vakgebied duidelijk te maken. De dingen waarin je gesocialiseerd wordt als je tot die gemeenschap toetreedt, maar waar binnen een vakgebied nooit over nagedacht of gesproken wordt. Als ik in mijn onderwijs één ding probeer te benadrukken, dan is dat, dat A) de aannames in hun vakgebied helemaal niet vanzelfsprekend zijn, en B) dat alles gewoon een historische verklaring heeft.
‘Helaas is veel wetenschapshistorisch onderwijs in Nederland aan het verdwijnen. Vroeger was het bacheloronderwijs de kurk waarop de wetenschapsgeschiedenis dreef. Bijvoorbeeld in Utrecht, waar Geschiedenis van de Natuurkunde lange tijd het populairste bijvak was onder natuurkundigen. Tot mijn grote leedwezen is het vak gewoon geschrapt. Tegenwoordig is het voortbestaan van dit soort cursussen niet meer vanzelfsprekend, omdat de wetenschapsgeschiedenis tegenwoordig wordt gezien als een luxe en niet als iets noodzakelijks. Nu er bezuinigd moet worden is wetenschapsgeschiedenis het eerste wat verdwijnt.
‘De afgelopen tien jaar zijn er iets van 8 of 9 hoogleraren binnen dit vakgebied met emeritaat gegaan. Ze zijn geen van allen opgevolgd. Ik ben de laatste in een hele lange rij. De leerstoelen verdwijnen achter elkaar als omvallende dominostenen. Dat vind ik treurig. Het gaat heel moeilijk worden om die leerstoelen terug te krijgen. Anderzijds zie je wel dat de wetenschapsgeschiedenis veel zichtbaarder is geworden binnen de reguliere geschiedenis. Dat is een goede ontwikkeling, maar helaas garandeert het geen continuïteit. Neem bijvoorbeeld het fantastische onderzoek van Fenneke Sysling, met ook een krachtig engagement. Als zij weggaat, komt er geen wetenschapshistoricus, maar een andere historicus.
‘Ik vind die teloorgang van wetenschapshistorische leerstoelen ook spijtig gezien de grote aantallen getalenteerde jonge wetenschapshistorici in Nederland. Een van de grootste voorrechten van het hoogleraarschap is het mogen begeleiden van promovendi, in de regel buitengewoon intelligente en gemotiveerde jonge mensen. Ik heb daar enorm veel plezier aan beleefd en er ook veel van geleerd. Maar ik realiseer me ook dat het voor hen veel moeilijker wordt dan het voor mij was om hoogleraar te worden, zeker gezien de kaalslag die er het afgelopen jaar heeft plaatsgevonden op de universiteiten.’
MG: ‘Over eindes gesproken, een bekende uitspraak is dat geschiedenis een discussie zonder eind is. Maar na een lange carrière kan ik me voorstellen dat er ook kwesties zijn waarover je stiekem denkt het antwoord best te weten. Wat zou volgens jou het laatste woord over een openstaande kwestie moeten zijn?’
FvL: ‘Nee! Ik ben niet zo van het laatste woord, ik geloof juist in een open einde. Ik houd ervan dat sommige dingen die nu volstrekt vanzelfsprekend zijn voor wetenschappers, over honderd jaar volstrekt absurd kunnen lijken, en dat het dan honderd jaar later wéér kan omslaan. Dat geldt voor alle wetenschappen, ook voor geschiedenis.
‘Eerder zei ik al dat ik de filosofie soms frustrerend kan vinden omdat je nooit antwoorden vindt. Het mooie aan geschiedenis vind ik dat je wel altijd antwoorden vindt, maar dat die antwoorden gewoon elke keer veranderen. Je kunt als historicus precies dezelfde gebeurtenis met een iets andere invalshoek bekijken en daardoor tot een totaal nieuw verhaal komen.
‘Ik ben opgegroeid binnen de ideeënhistorische traditie. Het heeft mij veel moeite gekost om de meer antropologische, sociaalhistorische kijk te ontwikkelen die ik nu volkomen vanzelfsprekend vind. Ik kan alleen maar verbijsterd zijn over de onnozelheid en naïviteit waarmee ik die ideeënhistorische gedachtes koesterde. Op diezelfde manier kan ik me goed voorstellen dat er over dertig of vijftig jaar weer een andere invalshoek opkomt. Om een goed beeld van de werkelijkheid te krijgen moet je al die invalshoeken combineren, ook als ze elkaar uitsluiten.
‘Ik geloof dat Niels Bohr zei: ‘Je hebt waarheden, en je hebt diepe waarheden.’ Diepe waarheden zijn waarheden waarvan de ontkenning weer een nieuwe, diepe waarheid oplevert. Bijvoorbeeld ‘het leven is zinloos,’ dat is an sich goed te verdedigen. Maar het tegenovergestelde kun je ook heel goed verdedigen, ‘het leven is buitengewoon zinvol.’ Beide zijn dus diepe waarheden, want ze sluiten elkaar uit en kunnen toch allebei tegelijk waar zijn. Ik denk dat bijna alles in de geschiedenis dat karakter heeft. Als je één motto op mij zou moeten plakken, dan is dat het wel: de ambiguïteit van bijna alles. Van mij zul je nooit ergens een laatste woord over horen.
‘Die ambiguïteit ontbreekt in onze maatschappij van vandaag de dag. Ook onder hoogopgeleiden. Door alle bubbels zijn mensen niet meer in staat om vanuit een ander perspectief naar iets te kijken en dat dan óók als een waardevol perspectief te zien. Dat vermogen gaat ook gepaard met waarden als tolerantie, empathie en begrip voor elkaar. Een enorm gemis.’
MG: ‘Als laatste vraag: welk verloren object of document zou je graag willen vinden, en wat zou dat ons kunnen leren?’
FvL: ‘Je kent Plato’s dialogen, neem ik aan? Zijn dialogen gelden niet alleen als zo’n beetje het hoogtepunt van de hele geschiedenis van de filosofie, maar ook als het hoogtepunt van de complete Westerse literatuur. Plato gold in zijn tijd, en nog steeds, als één van de allergrootste schrijvers. De boeken van Aristoteles zijn daarentegen volstrekt onleesbaar. Gortdroog, verschrikkelijk saai, heel taai, en vol met tegenstrijdigheden. Het gekke is dat Aristoteles ook dialogen heeft geschreven, en dat die hoger werden aangeschreven dan die van Plato. Helaas is er daarvan geen één bewaard gebleven. Het zou prachtig zijn om ook maar één van Aristoteles’ dialogen te vinden, op een stuk perkament of in Arabische vertaling. Ik geloof dat Seneca of Cicero zei: als Plato’s boeken zilver zijn, dan zijn die van Aristoteles goud. En we hebben er niets van! Van Aristoteles hebben we alleen maar die onleesbare, gortdroge, beetje collegedictaat-achtige werken. Ja, ik zou er veel voor over hebben om ook zijn dialogen te kunnen lezen. Het zou heel mooi zijn om die te vinden.’
Biography
- Gelderblom, M. (2026). ‘Je moet me gewoon onderbreken hoor’. Een interview met afzwaaiend hoogleraar Frans van Lunteren. In D. Baneke, A. Flipse, I. Nieuwland, & A. Streefland (Eds.), Carte Blanche. Essays voor Frans van Lunteren, wetenschapshistoricus (pp. 187-192). Stevin Centre for History of Science and Humanities. ↩︎

